Immobilien Brugge

Geschiedenis van Brugge

In de Gallische tijd bestond West-Vlaanderen uit een moerassig en onherbergzaam landschap dat vele malen overstroomde. Er zijn slechts weinig overblijfselen gevonden. De Romeinen legden, na het verslaan van de Menapiërs in 53 v.Chr., een uitgebreid wegennet aan in de provincie en bouwden verschillende versterkte kernen tegen de invallen van piraten vanuit de Noordzee.

Wellicht was een van die versterkingen langs de kustweg de nederzetting aan de monding van de rivier de Reie waaruit later Brugge zou ontstaan.

Vanaf de 7e eeuw trok de zee zich stilaan terug en de kustvlakte werd beter bewoonbaar. Op de droge schorre-gronden was vooral schapenteelt aangewezen. Het gebied werd door het Frankische rijk bestuurd: de pagus Flandrensis of Vlaanderengouw.

In de 9e eeuw werd de Vlaanderengouw geteisterd door aanvallen van de Noormannen, onder andere in 820, 838 en 854. Onder Boudewijn I met de IJzeren Arm werd bij Brugge een versterkte burcht gebouwd, waarschijnlijk op een oude Romeinse versterking want in tegenstelling tot andere burchten was het grondplan rechthoekig in plaats van de toen meer gangbare ronde vorm.

Vanaf 900 werden de aanvallen afgeslagen en bloeide de handel met Scandinavië en de lakenhandel met Engeland opnieuw. Door de gemakkelijke toegang vanuit Brugge met het vasteland groeide de burcht uit tot een grote nederzetting ondanks het feit dat Brugge slechts via een wad- en schorregebied verbonden was met de Noordzee: de haven was slechts bij hoog tij bereikbaar.

Na de moord op graaf Karel de Goede in 1127 kreeg Brugge op 27 juli 1128 stadsrechten in ruil voor steun aan de opvolger Diederik van de Elzas. Deze stadsrechten werden echter in volgende regeerperiodes door de graven verschillende keren aangepast.

Brugge kreeg in 1128 nieuwe grachten en omwallingen om de aanval van Willem Clito, de rivaal voor de opvolging, af te slaan. Deze omwalling zou - nagenoeg onveranderd - blijven bestaan tot eind 13e eeuw.

Vanaf midden 11e eeuw verzandde de waddenzee voor Brugge geleidelijk, maar in de 12e eeuw kreeg Brugge nogmaals een directe verbinding met de Noordzee: opeenvolgende overstromingen hadden een diepe en brede geul achtergelaten, het Zwin. In plaats van getijdevaart konden de grotere schepen, vooral de kogge, nu tot dicht bij Brugge varen. Op het einde van de vaargeul werd door Filips van de Elzas een nieuwe stad gebouwd: Damme (stadsrechten ca. 1169, zoals Nieuwpoort en Grevelingen, vrijheid van Hanze in Vlaanderen in 1180). Mits overlading in Damme op binnenschepen was Brugge nog steeds bereikbaar.

Ook het Zwin verzandde echter geleidelijk en verschillende havens werden rond de vaargeul gesticht om mogelijk te maken dat Brugge nog steeds handel kon drijven, zoals Muide (bij de monding van het Zwin, cf. Sint Anna ter Muiden bij Sluis), Hoeke (dichter bij Damme), Monikerede en Lamminsvliet dat vanaf 1303 bekend werd onder de naam Sluis.

In de 13e eeuw werd Brugge een belangrijk internationaal handelscentrum, als ontmoetingsplaats tussen handelaren uit Zuid- en Noord-Europa. De stad had een bevoorrechte positie in de lakenhandel met Engeland ten opzichte van de andere Vlaamse steden en een goede verbinding naar het binnenland via de belangrijke handelsweg naar Keulen via onder meer Gent, Mechelen, Brussel en Leuven. De lakenhallen en het belfort werden in 1240 gebouwd. Na een brand in 1280 werd het in steen opnieuw opgetrokken en werd een symbool voor de politieke en economische onafhankelijkheid.

In 1252 en 1253 gaf Margaretha van Constantinopel na onderhandelingen met de Lübeckse raadsheer Hermann Hoyer en de Hamburgse raadsheer Jordan privileges aan de Duitse kooplui uit Lübeck, Hamburg, Aken, Keulen, Dortmund, Münster en Soest. Als knooppunt van de internationale handel en met de jaarmarkt was het Hanzekantoor van Brugge de belangrijkste voor de Duitse kooplui. Zij werden hier Oosterlingen genoemd, omdat zij uit steden kwamen die oostelijk van Brugge en Vlaanderen lagen.

Een Brugse Hanze werd opgericht om de handel te controleren. Ook andere steden traden tot deze hanze toe of stichtten hun eigen club zoals de Ieperse Hanze (rond de IJzer) of die van Gent.

Met de groeiende economische macht van de Brugse handelaren kwamen ook eisen naar meer autonomie ten opzichte van het Graafschap Vlaanderen naar boven. Eén van de hoogtepunten van deze strijd vond plaats in 1302: de Brugse metten. Na de Brugse Metten versloegen de Vlaamse steden, Brugge en het Brugse Vrije te Kortrijk het Franse leger in de Guldensporenslag. De Gentenaren werden door de toenmalige graaf van Vlaanderen gesust met verlaagde belastingen. Daardoor trokken de Gentse milities niet mee op tegen het Franse ridderleger. In 1304 werd Vlaanderen echter terug tot de orde geroepen na hun nederlaag in de slag bij Pevelenberg.

Naast de lakenhandel ontwikkelden zich ook andere ambachten en vestigden zich handelaarsfamilies uit onder meer Genua en Venetië in Brugge. Belangrijk hierbij is ook het bankwezen dat zich stilaan ontwikkelde. Veel handelaren moesten hun goederen gedurende een bepaalde tijd in Brugge bewaren voordat ze verder verhandeld werden. Enkele steden en families hadden hun eigen gebouwen (zoals de kooplieden uit Venetië), maar anderen waren aangewezen op de herbergiers. Deze herbergen werden zo een draaischijf van economische handelingen: handelaren van verschillende steden werden met elkaar in contact gebracht, voorraden werden in de kelders opgeslagen en geleidelijk konden er ook rekeningen geopend worden of kon er op krediet gewerkt worden. Eén van de belangrijkste herbergen was die van de familie Van der Beurze, gelegen naast de belangrijke natiehuizen van Genua en Venetië – de benaming van de beurs komt trouwens van deze familie.

Vanaf de 14e eeuw wordt de lakenhandel minder belangrijk. In 1384 werd Filips de Stoute uit Bourgondië graaf van Vlaanderen. Eén van zijn machtscentra was in Brugge gelegen. In de stad werden luxe-goederen verhandeld, was er het belangrijke bankwezen en Brugge ontpopte zich tot een waar kunstencentrum. Dankzij het Bourgondische hof kwamen er contacten met reizigers uit alle streken van Europa. De stad kreeg een nieuw stadhuis in 1376 op de Burg.

De 14e eeuw was zonder twijfel Brugges Gouden Eeuw. De stad had toen tegen de 46.000 inwoners, een aantal dat zij vóór de 19e eeuw niet zou overschrijden.

In de 17e eeuw ontwikkelde zich in Brugge de kantindustrie. Kantklossen was daarvoor vooral een bezigheid van de rijkere adellijke dames, maar geleidelijk verdienden vele vrouwen in Vlaanderen een extraatje met kantklossen.

Vanaf 1612 werden er meisjesscholen opgericht door enkele kloostergemeenschappen (o.a. Apostolinen) waar naast algemene ontwikkeling ook breien en klossen van kant op het programma stonden. In 1689 waren er meer meisjesscholen (125) dan jongensscholen (15 schoolmeesters) in Brugge. Jongens leerden hun ambacht meestal tijdens hun leertijd bij een vakman.

Brugge tussen 1771 en 1778Kant werd in Brugge een belangrijke bron van inkomsten. In 1802 hielden zich ruim 6000 vrouwen bezig met kantklossen op een totaal inwonersaantal van 40.000. Er ontwikkelde zich een speciale variant: de Brugse kant of point-de-fée.

Het stadsbestuur ondernam een aantal pogingen om de oude glorie terug te brengen. De voornaamste was het graven van de Handelskom, waardoor Brugge weer een aantrekkelijke havenstad moest worden. Ook de oprichting van een Kamer van Koophandel paste in dit kader. De pogingen brachten echter niet veel zoden aan de dijk en Brugge evolueerde langzaam maar zeker tot Bruges-la-Morte.

Als kleine provinciestad had Brugge dan ook geen enkele invloed op de latere gebeurtenissen van Vlaanderen zoals deze rond 1789 (Franse Revolutie) en de Omwenteling van 1830. Ook de industriële revolutie ging volledig aan de stad voorbij. In 1850 was Brugge de armste stad van Vlaanderen.

Het vervallen Brugge, een sluimerende stad zonder veel drukte en 'lelijkheid' van de moderne wereld, kreeg op het einde van de 19e eeuw een romantische heropleving. Victor Hugo beschreef de stad al uitvoerig in zijn reisverhaal over België (1837), maar het hoogtepunt kwam met de roman Bruges-la-Morte van Georges Rodenbach in 1892. Het werk had een groot succes in Europa. Het werd tweemaal verfilmd en diende ook als scenario voor de opera Die tote Stadt van Erich Korngold.

In 1877 zei Koning Leopold II dat hij graag zou hebben dat al deze mooie gebouwen en monumenten gerestaureerd zouden worden zodat de hele stad niets anders werd dan een enorm en prachtig museum. Heel wat gebouwen werden toen - voornamelijk in neogotische stijl - gerenoveerd onder impuls van de stadsarchitect Louis Delacenserie. Onder andere dankzij deze architect is Brugge uitgegroeid tot een toeristische trekpleister. Vanaf 1880 kende het stadsbestuur subsidies toe aan particulieren voor restauraties.

Neogotische gebouwen op de Grote Markt: (vlnr) gouverneurswoning en het Provinciaal hof; gerestaureerd door Louis Delacenserie Brugge kende in de 19de eeuw weliswaar economisch verval, maar dat had ook een positief gevolg: er vestigde zich geen industrie in de stad, zodat Brugge zijn uitzicht en structuur van een oude stad kon bewaren. Toerisme zat in de lift en daarmee gepaard ook de horeca. Sommigen zagen Brugge liefst als museum en niets mocht het middeleeuwse uitzicht 'bekladden'. Zo werd ook nieuwbouw, zowel voor kerken als openbare gebouwen, meestal in neogotische stijl opgetrokken tot ver na de Eerste Wereldoorlog; het Provinciaal gebouw aan de Grote Markt, bijvoorbeeld, werd in neogotische stijl heropgebouwd na de brand in 1878 van het classicistisch gebouw.

In Le Carillonneur (1897) van Rodenbach werd de 'barbaarsheid' van het Brugse bestuur gehekeld toen dit plannen maakte om met de aanbouw van Zeebrugge de stad te industrialiseren. Dit zou het karakter van de mysterieuze stad te erg veranderen.

De romantiek had bij de Bruggelingen een nieuwe liefde voor hun (middeleeuwse) stad bijgebracht. Strikte bouwvoorschriften in het centrum moesten het uitzicht ervan, én de belangrijke inkomsten uit het toerisme, vrijwaren.

Cultuur & Kunst

Over Brugge

Nuttige Links